OCW lanceert nieuwe signaleringswaarde voor reserves bij onderwijsinstellingen

Een nieuwe signaleringswaarde voor reserves bij onderwijsinstellingen is vandaag gelanceerd door het ministerie van OCW. Met dit nieuwe kengetal stijgt het totaalbedrag aan mogelijk bovenmatige reserves in het primair onderwijs in een keer van 2,4% naar 7,9% van de totale baten. De PO-Raad ziet dat veel schoolbesturen hun financieel management kunnen verbeteren en hun financiële positie kunnen afbouwen ten behoeve van het onderwijs. De PO-Raad heeft vragen bij de enorme stijging van de reserves door een nieuwe signaleringswaarde. Daarom wil de sectororganisatie onderzoeken hoe de berekening van de signaleringswaarde meer recht kan doen aan sectorspecifieke kenmerken.

De Inspectie van het Onderwijs heeft op verzoek van de ministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob (Onderwijs) een nieuwe formule  ontwikkeld voor het berekenen van een signaleringswaarde voor de bovengrens van de reservepositie van de besturen in alle onderwijssectoren. De inspectie benadrukt daarbij dat deze signaleringswaarde voor het eigen vermogen geen norm is, maar een startpunt voor een gesprek. Een bestuur kan immers goede redenen hebben om tijdelijk meer eigen vermogen aan te houden dan de signaleringswaarde. De inspectie gaat deze signaleringswaarde gebruiken in het toezicht op de doelmatigheid.

Sectorspecifieke kenmerken

De ministers Van Engelshoven en Slob geven in een brief aan de Tweede Kamer aan dat de nieuwe signaleringswaarde onvoldoende rekening houdt met sectorspecifieke kenmerken, zoals bij eerdere kengetallen. ‘Zo werd in het funderend onderwijs anders omgegaan met huisvesting en werd nadrukkelijker rekening gehouden met de grootte van een bestuur. Bij kleine besturen ziet de financiële balans er immers anders uit dan bij grote besturen. Met deze nieuwe signaleringswaarde kiest de Inspectie voor een waarde die voor alle onderwijssectoren, van primair onderwijs tot universiteiten, gelijk is.’, aldus de ministers, die hierin het voorstel van de inspectie volgen. Het gevolg van de nieuwe formule is dat er bij  schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs veel eerder sprake van mogelijk bovenmatige reserves, omdat de meeste schoolbesturen geen eigen huisvesting hebben en de schoolbesturen gemiddeld kleiner zijn dan in andere onderwijssectoren. 

De inspectie benadrukt dat de berekening van de signaleringswaarde in principe niet ontwikkeld is voor het schetsen van een sectoraal beeld. De formule is bedoeld als startpunt van het gesprek in het kader van het toezicht op het financieel management van het schoolbestuur. Toch gebruiken de ministers in de brief de formule wel als een norm voor het vaststellen van mogelijk bovenmatige reserves binnen de sectoren. Volgens de ministers gaat het voor veel schoolbesturen niet om enorme bedragen die boven de signaleringswaarde uitkomen. Omdat de ministers deze bedragen optellen, loopt het totaalbedrag in een grote sector als het primair onderwijs snel op. De PO-Raad betreurt dat de ministers daarbij ingaan tegen het advies van de inspectie en de signaleringswaarde gebruiken voor een totaalbeeld. Ondanks de verschillende kanttekeningen die ze hierbij in de  brief plaatsen, bepalen juist de kale sectorale cijfers het beeld van de sector.

(Voortgezet) Speciaal Onderwijs

In de brief van de bewindslieden valt op dat bij schoolbesturen met overwegend (voortgezet) speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs relatief gezien sprake is van meer bovenmatige reserves. Dit kan het gevolg zijn van de onoverzichtelijke en onvoorspelbare leerlingstromen naar het gespecialiseerd onderwijs, maar kan ook te maken hebben met krimp.

Verder valt op dat de mogelijk bovenmatige reserves niet gelijkmatig verspreid zijn over de schoolbesturen in het primair onderwijs. In het algemeen geldt dat grotere schoolbesturen minder bovenmatige reserves hebben. Ongeveer 3% van het totaal aantal besturen is verantwoordelijk voor bijna 30% van het totaal aan mogelijk bovenmatige reserves. De PO-Raad adviseert juist ook deze schoolbesturen om zich helder te verantwoorden en daarbij aan te geven hoe zij mogelijk bovenmatige reserves willen inzetten ten behoeve van het onderwijs.

Benchmark PO

De PO-Raad vindt het goed dat elk schoolbestuur op basis van een signaleringswaarde kritisch naar zijn eigen reservepositie kan kijken. De sectororganisatie gaat met de schoolbesturen verder werken aan het versterken van de financiële deskundigheid in het primair onderwijs en aan het versterken van het gesprek met het intern toezicht over de financiën. Daarnaast wil de PO-Raad verder onderzoeken of de formule voor het berekenen van de signaleringswaarde meer sectorspecifiek gemaakt kan worden. Samen met de VO-raad werkt de sectororganisatie aan een benchmark die inzicht geeft in onderwijskwaliteit, financiën en bedrijfsvoering en de inzet van personeel van schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs. De PO-Raad wil in de benchmark een signaleringswaarde voor het vermogen opnemen die de schoolbesturen in de sector ondersteunen bij hun werk. Het vergelijken met andere schoolbesturen moet een schoolbestuur ondersteunen bij het leren van elkaar en actieve verantwoording van de sector als geheel.

De PO-Raad werkt met de ontwikkeling van de benchmark en de verdere invulling van de signaleringswaarde voor het vermogen nauw samen met de VO-raad. Verder bespreekt de sectororganisatie de ontwikkelingen met schoolbesturen, bijvoorbeeld in de expertgroep Bekostiging en in het Algemeen Bestuur van de PO-Raad. Schoolbesturen krijgen ondersteuning om scherper te begroten, en als het nodig is negatief. Daarnaast heeft de PO-Raad al jaren gepleit om de bekostiging te vereenvoudigen en de communicatie erover te verbeteren. Daardoor worden de inkomsten voorspelbaarder, wat de noodzaak om reserves aan te houden verkleint. Eerste stap hiertoe wordt de komende tijd gezet, maar de voorspelbaarheid van de inkomsten voor een schoolbestuur blijft onvoldoende.

Samenwerkingsverbanden

De Onderwijsinspectie heeft ook een nieuwe signaleringswaarde ontwikkeld voor samenwerkingsverbanden. Daaruit blijkt dat samenwerkingsverbanden te hoge reserves aanhouden. De PO-Raad onderschrijft dit. Eerder is de sectororganisatie in gesprek gegaan met samenwerkingsverbanden met een te hoge reserve. Daarnaast hebben de PO-Raad, VO-raad en het steunpunt passend onderwijs een ondersteuningsaanbod en verantwoordingstools ontwikkeld, waarmee meer inzicht wordt gegeven in de financiën van samenwerkingsverbanden.

Samenwerkingsverbanden waren eerst nog in de fase van opbouw, het opbouwen van bestuurlijke samenwerking en het optimaliseren van financieel management kost tijd. Maar als we nu de balans opmaken na de opbouwfase zien we dat samenwerkingsverbanden forse reserves hebben. Van de 152 samenwerkingsverbanden die er zijn, houden er 133 een te hoge reserve aan. Ook nemen de reserves ieder jaar verder toe.

De PO-Raad vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. De sectororganisatie maakt zich er hard voor dat zoveel mogelijk geld doelgericht en doelmatig wordt ingezet voor het vormgeven van passend onderwijs. Samen met de VO-raad en in afstemming met het Netwerk Leidinggevenden Passend Onderwijs en de Sectorraad Samenwerkingsverbanden VO heeft de PO-Raad een brief geschreven naar alle samenwerkingsverbanden. De sectororganisaties vragen de samenwerkingsverbanden het gesprek te voeren over de financiën en de reserves en in de begroting van 2021 beleidsrijk toe te werken naar een vermogen in lijn met de signaleringswaarde die is ontwikkeld. Om samenwerkingsverbanden hierbij te helpen zijn een aantal tools beschikbaar via het Steunpunt Passend Onderwijs en samenwerkingsverbandenopdekaart.nl

Vermogens 2019

Zoals al eerder duidelijk werd, zijn de vermogens in het primair onderwijs in 2018 niet gegroeid. In 2018 is het bovenmatig eigen vermogen zelfs licht gedaald. Van Engelshoven en Slob geven in hun brief wel aan dat het resultaat  van de schoolbesturen in 2019 fors hoger zullen liggen dan begroot, wat ook effect heeft op de reservepositie van schoolbesturen. Schoolbesturen kregen immers eind 2019 uit het convenant aanpak lerarentekort 150 miljoen euro extra. Daarnaast zijn een groot deel van de arbeidsvoorwaardenmiddelen 2019 geboekt in 2019, terwijl de lasten hiervan in 2020 vallen. De informatie die de ministers in oktober zullen presenteren, zijn hierdoor niet maatgevend voor de ontwikkeling van de vermogens in het primair onderwijs.



lees verder …



KLIK HIER voor de bron van dit bericht (PO raad)