Hart voor het kleuteronderwijs ….

Beste allemaal,

Op 6 maart hebben we de verkiezingsprogrammacommissies van dertien politieke partijen die nu in de Tweede Kamer zitten, aangeschreven met bijgaande brief.
Als je lid bent van een politieke partij en/of als je iemand kent die actief is in een partij en/of vertegenwoordiger van een partij is, kun je waarschijnlijk wel wat met die brief.

Bedankt alvast!

de kerngroep van de WSK


Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs (WSK)

Een kleuter is geen schoolkind                           www.wsk-kleuteronderwijs.nl

Aan het bestuur van …. (VVD, PVV, CDA, D66, GroenLinks, SP, PvdA, CU, PvdD, 50PLUS, SGP, Denk, FvD)

betreft: verkiezingsprogramma met betrekking tot goed kleuteronderwijs

6 maart 2020.

Geachte,

Op 25 april 2012 is de Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs (WSK) opgericht door 56 burgers, van wie de meesten (oud-)kleuterleerkracht waren. Op dit ogenblik heeft de WSK iets meer dan 4.000 niet betalende leden, we zijn een non-profit organisatie met een belangrijke missie.

Op 13 april 2013 hebben we tien concrete doelen geformuleerd. Enkele daarvan herkenden we in drie beleidsvoornemens van het regeerakkoord (p.11):

  • ‘De afspraken uit de sectorakkoorden worden gehandhaafd, met uitzondering van de landelijke norm om zittenblijven bij kleuters terug te dringen’.
  • ‘Binnen het leerlingvolgsysteem zullen er gedurende de kleuterperiode geen toetsen worden afgenomen’.
  • ‘We differentiëren in de lerarenopleidingen. Er komen specialisaties die zich richten op jongere en oudere […] kinderen’.

Hieronder brengen we vier van onze wensen voor de volgende regeringperiode naar voren. In het belang van de kleuters zien we graag dat uw partij ze in haar verkiezingsprogramma zal opnemen en er in de komende Kamer – vanuit de regering of de oppositie – op zal toezien dat ze worden verwezenlijkt.

  1. Pabo-differentiatie ‘Jong Kind’ – ‘Ouder Kind’

‘Het is een grote fout geweest de opleiding voor kleuterleidster af te schaffen, en het de onderwijzers “erbij” te laten doen: het is een totaal andere tak van sport! Het beste zou zijn de opleiding kleuterleid(st)er weer in ere te herstellen’*                                                                     (zwartboek Kleuters in de knel!, verhaal 18)

,

‘Ik vind dat er hoognodig een specialisatie op de PABO’ s moet komen, omdat onderwijs aan kleuters een totaal andere aanpak vraagt. Zelf heb ik dit jaren geleden al ervaren met stagiaires van de PABO. Ze keken me vaak met open mond aan als ik met hun het gesprek aanging over de ontwikkeling van kleuters en de bijbehorende didactische aanpak’*                                                     (zwartboek Kleuters in de knel!, verhaal 78)

Om de kleuter en het kleuteronderwijs weer recht te doen zijn de volgende beleidsvoornemens noodzakelijk:

  • Aan de pabo’s komen twee afstudeerrichtingen: ‘Jong Kind’ en ‘Ouder Kind’.
  • Aan de pabo’ staat de psychologische ontwikkeling van het kind centraal en de ‘Jong Kind’-specialisatie richt zich op de ontwikkelingslijn ‘oudere peuter à kleuter à jong schoolkind’.
  • Aan de pabo’s komen twee verkorte nascholingstrajecten zodat afgestudeerden in de ene specialisatie alsnog een onderwijsbevoegdheid voor de andere specialisatie kunnen behalen.
  • Regel- en wetgeving gaan uit van psychologische leeftijden en niet van kalenderleeftijden en schoolgroepen.

Op 12 november 2019 heeft de Tweede Kamer uitgesproken dat de regering eindelijk stappen moet nemen om een differentiatie aan de pabo’s tussen twee afstudeerrichtingen, namelijk ‘Jong Kind’ en ‘Ouder Kind’ (motie over de pabo-differentiatie) te realiseren. Door de door ons voorgestelde beleidsvoornemens in uw verkiezingsprogramma op te nemen, draagt uw partij bij aan het verwezenlijken van de alom gewenste differentiatie.

Zie verder de bijlagen I (over de pabo-differentiatie) en III (over de begrippen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’).

  1. Toetsen: wel proeven, geen tests

‘Nog zo’n frustratiepunt: Cito voor alle kleuters. Als je ziet hoe weinig dit te maken heeft met de belevingswereld van de kinderen. WAAR IS HET VERMOGEN VAN DE LEERKRACHTEN OM ZELF TE OBSERVEREN HOE HET GAAT MET EEN KIND?’*                                (zwartboek Kleuters in de knel!, verhaal 31)

‘Ik loop vreselijk aan tegen de handelingsplannen bij kleuters, na een “slecht” gemaakte Cito‐toets’*

(zwartboek Kleuters in de knel!, verhaal 84)

Om de kleuter en zijn ontwikkeling goed te volgen zijn deze beleidsvoornemens noodzakelijk:

  • Kleuters worden – net als alle andere basisschoolkinderen – getoetst, maar niet met tests. In het leerlingvolgsysteem en anderszins worden louter ontwikkeling volgende observaties en proeven afgenomen en zijn tests verboden.
  • Aan scores mag geen behandelingsprogramma worden verbonden. Een kind dat zich langzaam ontwikkelt, ontvangt – net als alle andere kleuters – voorwaardenscheppend onderwijs óp zijn niveau.

Zie verder de bijlagen II (over toetsen) en III (over de begrippen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’).

  1. Aanvullende maatregelen

Om de pabo-differentiatie (punt 1) en het juiste toetsen van kleuters (punt 2) te borgen zijn de volgende twee aanvullende maatregelen nodig:

  • In de Onderwijsraad nemen een of meer kleuterleerkrachten zitting.

Bij voorkeur wordt/worden deze gekozen door de kleuterleerkrachten die een jaar of langer gedurende acht uur of meer per week in het basisonderwijs werkzaam zijn.

  • De Inspectie van het Onderwijs gaat na of kleuterleerkrachten de kinderen in hun ontwikkeling ‘jonge peuter à kleuter à jong schoolkind’ volgen.

Daarbij beschouwt de Inspectie van het Onderwijs niet de onderwijsresultaten als doel op zich, maar baseert ze zich op voortgang in de ontwikkeling van elk kind afzonderlijk.

Wij lichten onze voorstellen graag mondeling of schriftelijk toe bij u en/of bij de leden van de verkiezingsprogrammacommissie van uw partij.

Met vriendelijke groeten,

kerngroep van de WSK:

T.A. Boekel, L. Boonstra, M. Fennema, A. Koelewijn, E. Meima, L. Morssink, E. Ritzema, B. Romberg, E. Vervaet, E. Dienske, G. Witte, R. Wolterbeek, N. Zandee, L. Zuijderduijn

cc: …….… (kamerleden met basisonderwijs en/of pabo in portefeuille; bij CU en D66 ook minister)

Noot

* De vier voorbeelden van de 101 verhalen illustreren de misstanden op zich, maar daarnaast ook de angst voor represailles die er heerst. De banen van deze personen werden bedreigd. Zij wilden uit angst voor maatregelen anoniem blijven. Hun namen zijn bij de uitgever bekend.

Bijlage I

Pabo-differentiatie ‘Jong Kind’ – ‘Ouder Kind’

Aan de pabo’s komen twee afstudeerrichtingen: ‘Jong Kind’ en ‘Ouder Kind’. Dat wil zeggen:

*  Er komt een voortraject van 1 (, 1,5 of 2) jaar voor alle pabo-studenten. De psychologische ontwikkeling van het kind tussen geboorte en een jaar of 12 staat hierin centraal.

*  Na het gemeenschappelijke voortraject maakt elke student de keuze of zij/hij als ‘Jong Kind’-specialist wil afstuderen of als ‘Ouder Kind’-specialist. Het diploma geeft een onderwijsbevoegdheid voor de groepen 1-3 respectievelijk voor de groepen 3-8. Dit traject duurt 3 (, 2,5 of 2) jaar.

*  Er komen twee verkorte nascholingstrajecten zodat ‘Jong Kind’-specialisten alsnog een onderwijsbevoegdheid voor de groepen 4-8 en ‘Ouder Kind’-specialisten een onderwijsbevoegdheid voor de groepen 1-2 kunnen behalen. Op deze manier zijn leerkrachten maximaal inzetbaar én werkt iedere leerkracht op zijn best.

Van de zin in het regeerakkoord ‘We differentiëren in de lerarenopleidingen. Er komen specialisaties die zich richten op jongere en oudere […] kinderen’, is op dit ogenblik nog niets terecht gekomen. Eerst heeft het ministerie van OCW twee onderzoeken laten verrichten die de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan (onze brief van 26 maart 2019 aan ministerie en Tweede Kamer, punten 1.2 en 1.3 en bijlagen III en IV).

Vervolgens is minister Van Engelshoven daarop aangesproken maar schreef ze in haar brief van 2 juli 2019 aan de Tweede Kamer (p.7-8) over haar werkbezoek aan Saxion, de pabo in Enschede: ‘Binnen de huidige pabo is het al mogelijk om studenten te specialiseren voor lesgeven aan het jonge kind. Onderzoek wijst uit dat de impuls die de pabo’s de afgelopen jaren hebben gegeven aan de specialisaties jonge en oudere kind zijn vruchten afwerpt. Dit werd ons bevestigd bij een werkbezoek aan de pabo van Hogeschool Saxion dit voorjaar. Daar is het expertisecentrum Het Jonge Kind direct aan de opleiding verbonden, waardoor bevlogen lerarenopleiders en “Jonge Kind Specialisten” elkaar aanvullen’.

Op 7 november 2019 heeft de WSK een bezoek gebracht aan Saxion. Volgens ons heeft Saxion goede stappen gezet in de richting van kleuteronderwijs óp het niveau van de kleuter en niet erbóven, maar dienen er nog belangrijke stappen gezet te worden, onder meer ten aanzien van het observeren van de kleuters (verslag van bezoek 7 november 2019).

Op de meeste pabo’s worden de kleuter als een mini-schoolkind opgevat en benaderd en wordt de ontwikkelingslijn ‘oudere peuter à kleuter à jong schoolkind’ niet, onvoldoende of zelfs onjuist gedoceerd; dus niet volgens onze bijlage III.

Dit zien we onder andere aan het begrip ‘observeren’. Observeren is waarnemen op welk niveau een kind een bepaalde opdracht doet om hierop aan te sluiten in het onderwijsaanbod. De meeste pabo’s verstaan onder observeren iets anders, namelijk: kijken of je een gelegenheid kunt vinden om het kind een opdracht te geven op het niveau van een jong schoolkind. Wij noemen dit ‘trekken aan het gras in de hoop dat het daardoor sneller gaat groeien’!

Bijlage II

Toetsen: twee soorten proeven (in orde) en tests (niet in orde)

Binnen onderwijstoetsen zijn er drie soorten – de twee eerste, proeven, zijn in orde, de derde, tests, niet:

  • Rijpheidsproeven, zoals de schrijfproef waarin het kind gevraagd wordt zijn naam, de woorden ‘mamma’ en ‘pappa’ en andere woorden en namen op te schrijven. Een goede rijpheidsproef is altijd genormeerd op een houdbaar gebleken theorie over de psychologische ontwikkeling.
  • Vorderingsproeven, zoals een overhoring of een proefwerk met open vragen; een vorderingsproef wordt alleen afgenomen bij kinderen die rijp zijn gebleken voor bepaalde kennis en/of vaardigheden én die die kennis en vaardigheden aangeboden hebben gekregen. Een goede vorderingsproef dient dus een representatieve steekproef van de aangeboden stof te zijn.
  • Tests, zoals de meerkeuzetoetsen van het Cito en andere toetsinstanties, zijn altijd genormeerd met behulp van de inferentiële statistiek en dus komen daar altijd afwijkingen van populatiegemiddeldes uit voort. Vanwege die normering en afwijkingen daarvan zeggen tests niets over de rijpheid van een leerling en over zijn vorderingen. Daarom bestaan er geen goede tests en dienen ze geweerd te worden uit het onderwijs in het algemeen en uit het kleuteronderwijs in het bijzonder.

De WSK beaamt het normeren van toetsen, maar bepleit dat inferentieel-statistische tests worden afgeschaft en worden vervangen door toetsen die de psychologische ontwikkeling normeren zoals rijpheids- en vorderingsproeven.

 

Wat kleutertests betreft is het bekend dat kinderen die ergens nog niet aan toe zijn, een score tussen ‐25% en 40% of onder ‐40% behalen (D‐ respectievelijk E‐score) en dat op hen vanwege die lage score een zinloos behandelingsplan wordt losgelaten. Een kind dat ergens niet aan toe is, dient echter nergens voor ‘behandeld’ te worden maar dient voorwaardenscheppend onderwijs te krijgen om in zijn eigen tempo te kunnen rijpen, zoals de Tweede Kamer heeft uitgesproken in de motie van het lid Rog c.s. over aandacht voor de ontwikkelingsfase van kleuters.

Om de kennis en vaardigheden van kleuters in beeld te brengen pleit de WSK voor het volgen van de ontwikkeling aan de hand van rijpheidsproeven. Vorderingsproeven zijn pas aan de orde vanaf de fase ‘jong schoolkind’ wanneer het kind in aanraking komt met het systematisch leren. Tests voor kleuters dienen volgens de WSK geheel te worden verboden, omdat testen een inferieure manier is van het volgen van de ontwikkeling. Het lesaanbod dient aan te sluiten op de belevingswereld en het ontwikkelingsniveau van het kind en niet op de inhoud van een toets, of een toetsuitslag, zoals helaas te vaak voorkomt.

Gezien de voorgeschiedenis van het regeerakkoord is de zin ‘Binnen het leerlingvolgsysteem zullen er gedurende de kleuterperiode geen toetsen worden afgenomen’ in orde. In het licht van bovenstaande driedeling dient die zin verstaan te worden als ‘Binnen het leerlingvolgsysteem zullen er gedurende de kleuterperiode geen tests (of ‘inferentieel-statistisch genormeerde toetsen’) en alleen rijpheidsproeven worden afgenomen’. Hier mag geen misverstand over bestaan.

Wij zijn ervan op de hoogte dat er ten aanzien van het toetsgebeuren op 30 januari 2020 een amendement is ingediend. Bij aanvaarding ervan door de Kamer is het – om alle misverstanden te voorkomen – wellicht dienstig om de wetstekst in bovenstaande zin te herformuleren. Op dit ogenblik wijst alles erop dat het Cito er via de Expertgroep in is geslaagd om tests niet alleen mogelijk te maken binnen alle leerlingvolgsystemen, maar zelfs verplicht te stellen.

 

Bijlage III 

De begrippen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’

De WSK denkt dat het – om alle misverstanden te voorkomen – noodzakelijk is om regel- en wetgeving te stellen in termen van psychologische leeftijden en niet van kalenderleeftijden en schoolgroepen.

De begrippen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’ worden op drie manieren opgevat:

  • Naar de kalenderleeftijd. Een kleuter is dan een kind tussen 4,5 en 6,5 jaar of tussen 5 en 7 jaar. Een jong schoolkind is dan een kind tussen 6,5 en 8,5 jaar of tussen 7 en 9 jaar.
  • Naar de schoolgroep in het basisonderwijs. Een kleuter is dan een kind in de groepen 1 en 2. Een jong schoolkind is dan een kind in de groepen 3 en 4.
  • Naar de psychologische ontwikkeling.

Om u een beeld te geven van de psychologische ontwikkeling hebben we deze uitgewerkt voor de termen ‘kleuter’ en ‘jong schoolkind’.

  • Een kind is op het schrijfdomein een kleuter als het letters spiegelt; het schrijft de naam ‘Ben’ bijvoorbeeld als BƎN. Een kind is op het schrijfdomein een jong schoolkind als het geen letters meer spiegelt.
  • Een kind is op het tekendomein een kleuter als het een schoorsteen op een schuin dak loodrecht op dat dak tekent (). Een kind is op het tekendomein een jong schoolkind als schoolkind als het
  • Een kind is op het tel- en rekendomein een kleuter als het wel correct tot 20 telt maar nog niet correct terug tot 1 kan terugtellen, bijvoorbeeld als ’20, 19, 17, 16, 14-1’ dus met (in dit geval) weglating van ‘18’ en ‘15’. Een kind is op het tel- en rekendomein een jong schoolkind als het ook correct terugtelt van 20 naar 1 en bij een fout zelf kan achterhalen hoe het verder terug moet tellen (doorgaans door eerst van 1 tot die fout vooruit te tellen).
  • Een kind is een kleuter als het de middellijn van zijn lichaam nog niet kan oversteken met schrijf- of ander gereedschap, maar meebeweegt met het hele lichaam of het in de andere hand over pakt om dit te bereiken. Een kind is een jong schoolkind als het de middellijn van het lichaam met schrijf- of andere gereedschappen kan oversteken zonder met het hele lichaam mee te bewegen of over te pakken.
  • Een kind is een kleuter als het nog bezig is met zijn of haar 3-dimensionele ontwikkeling en dientengevolge nog aan het oefenen is met hinkelen, huppelen, klauteren, kopje duikelen, touwtjespringen enzovoort. Een kind is een jong schoolkind als het de 3-dimensionele ontwikkeling van het bewegingspatroon voltooid heeft en kan kopje duikelen, touwtjespringen, enzovoort en als het een potlood met een goede pengreep kan hanteren en bij voorkeur een dominante hand heeft ontwikkeld.

We merken hierbij op dat de meeste kinderen niet op de basisschool komen in de ontwikkelingsfase ‘kleuter’, maar als oudere peuter. Dit is onder meer te zien aan de moeite die kinderen dan nog hebben om op het toilet zelfstandig een grote boodschap te doen (namelijk omdat ze nog moeite hebben met het schoonvegen van hun achterwerk), maar ook aan de koppoters die ze tekenen (; één oppervlak staat voor hoofd en romp tegelijk).

Voor het aanbod aan kleuters betekent dit het volgende – uiteraard alles op kleuterniveau:

  • Sociale vorming zoals: elkaar niet schoppen, slaan enzovoort; na ruzie weer goed maken; materiaal/speelgoed delen; beurten geven en nemen.
  • Veel vrij spel aanbieden, zowel binnen als buiten, en dus ook veel ruimte voor fantasiespel.
  • Kleutergym, dansen, drama, zingen, muziek en ritme.
  • Fietsen, steppen, bal gooien en vangen, evenwichtsoefeningen, lichaamsbesef
  • Rennen, springen, huppelen, hinkelbewegingen.
  • Spelen met groot en klein constructiemateriaal, kralen rijgen, bouwen.
  • Vouwen, knippen, plakken, prikken.
  • Tekenen, kleurplaten, overtrekken, verven, schilderen.
  • Spelen met klanken en vormen; geen letterkennis inoefenen.
  • Voeldozen; voelen van vormen en materialen, beschrijven van eigenschappen, enzovoort.
  • Insteekvormen, legpuzzels, mozaïek
  • Veel voorlezen, vertellen, (vinger)versjes, liedjes
  • Prentenboeken lezen.
  • Telspelletjes en ordenen met concreet materiaal; geen optel- en aftrekopgaven.
  • Aandacht voor executieve functies.

KLIK HIER Voor PDF-formaat WSK brief verkiezingsprogrammacommissies van 6 maart 2020



lees verder …



KLIK HIER voor de bron van dit bericht  (WSK-Kleuteronderwijs.nl)